Over de stichting van de Dordtse Grote Kerk is een vijftiende-eeuwse legende bewaard gebleven. De legende vertelt dat een zekere Sura geldschieter van de bouw zou zijn geweest, nadat zij van Maria persoonlijk de opdracht had gekregen een kerk te harer ere te stichten.
Hoewel Sura slechts beschikte over drie muntjes, elk voldoende voor het dagloon van één arbeider, keerden er telkens drie muntjes terug in haar beurs als zij haar arbeiders had betaald.
De arbeiders begonnen te vermoeden dat zij zeer vermogend was en op een kwade dag vermoordden zij haar om er met het kapitaal vandoor te gaan. Zij vonden natuurlijk niet meer dan drie muntjes, werden gegrepen en ter dood veroordeeld. Toen het vonnis zou worden voltrokken, herrees Sura uit de dood om haar moordenaars vrij te pleiten. Zij reisde met hen naar Rome teneinde bij de paus absolutie voor hen te vragen.
De paus willigde dit verzoek in en verleende Sura aflaten zodat zij geld kon inzamelen voor de voortzetting van de bouw. Sura zou pas op hoge leeftijd in Dordrecht in een geur van heiligheid zijn overleden. Het staat vast dat er in de late Middeleeuwen te Dordrecht een Sint Sura werd vereerd. In een opsomming uit 1497 van de taferelen die tijdens de Grote Ommegang werden opgevoerd, figureert een Sinte Suwer.
Op de plaats waar Sura zou zijn vermoord, ontsprong volgens de legende een bron, waarvan het water wonderkracht werd toegedicht, De bron heeft zich inderdaad op het kerkhof van de Grote Kerk bevonden, maar werd na de Reformatie verwoest. De verering van Sura was hiermee echter niet meteen uitgeroeid. In 1603 klaagde de gereformeerde kerkenraad over mensen die op het kerkhof van de Grote Kerk bij een stenen kring knielden en andere 'superstitiën' bedreven. Nog later, in 1620, werd 'Sint Soers' afgebeeld op een gevelsteen in de Vleeshouwersstraat.